Oogonderzoeken wanneer?
De JGZ (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid) registreert tijdens het eerste contact of de volgende oogafwijkingen voorkomen in de familie: hoge brilsterkte (=een brilsterkte van hoger dan of gelijk aan -6 of +5) op basisschoolleeftijd, amblyopie, slechtziendheid, scheelzien of andere oogafwijkingen.
Oogheelkundige contactmomenten bij kinderen van 0-36 maanden vinden plaats op de leeftijd van 1 maand, 2 maanden, 3 maanden, en in de leeftijdsperioden van 6-9 maanden en 14-24 maanden.
verwijzing. Indien dit niet gelukt of gedaan is, wordt dit onderzoek uiterlijk na vier weken herhaald.
Bij kinderen die 2 maanden oud zijn, worden de volgende onderzoeken uitgevoerd:
- de horizontale binoculaire volgbeweging (onderdeel Van Wiechen-schema)
- het beoordelen van de aanwezigheid van de rode fundusreflex indien dit op de leeftijd van 1 maand niet gelukt is, en inmiddels nog niet herhaald is.
Bij kinderen die 3 maanden oud zijn, wordt de beoordeling van de aanwezigheid van de rode fundusreflex herhaald en wordt het Van Wiechen-onderdeel ‘kijkt naar eigen handen’ uitgevoerd.
Bij kinderen in de leeftijd van 6-9 maanden en 14-24 maanden worden de cornea lichtreflex uitgevoerd. Voor dit onderzoek zit het kind op schoot bij de ouder. Het hoofd moet recht staan. De oppervlakte van de cornea werkt als een bolle spiegel, daardoor wordt een lampje als een kleine witte punt in de pupil van het kind afgebeeld. Het lampje, bij voorkeur een penlight met twee AA- of AAA batterijen, wordt voor de neusrug van de onderzoeker gehouden, op ooghoogte van het kind. Dit kan het beste gebeuren op armlengte afstand van het kind, ongeveer 40cm. Laat het kind naar het lampje kijken.
De instelbeweging. Het beoordelen van de instelbeweging bij het afdekken van een oog is een aanvulling op de cornea lichtreflex om te beoordelen of er sprake is van manifest scheelzien. De onderzoeker houdt het lampje op ooghoogte van het kind op ongeveer 40 cm afstand en houdt de hand waarmee afgedekt gaat worden klaar boven het hoofd van het kind. Op het moment dat het kind naar het lampje kijkt dekt de onderzoeker een oog af en beoordeelt of het andere oog een instelbeweging maakt.
De monoculaire volgbeweging. De monoculaire volgbeweging wordt voor ieder oog apart beoordeeld. Het doel van deze test is een indruk te krijgen van de visus van het niet-afgedekte oog. Bij de test worden alleen horizontale volgbewegingen onderzocht. Door de duim van de onderzoeker op de neusrug van het kind en de rest van de hand voor een oog te houden wordt het ene oog afgedekt terwijl het andere oog het lampje volgt. Het lampje wordt in de andere hand op ooghoogte voor het kind langzaam heen en weer bewogen op een afstand van ongeveer 40 cm.
Vanwege verschillende invulling van de contactmomenten tussen de JGZ-organisaties wordt benoemd welke momenten hiervan noodzakelijk worden geacht en welke dringend worden aanbevolen: het twee keer beoordelen of de rode fundusreflex aanwezig is wordt noodzakelijk geacht. De andere momenten worden dringend aanbevolen.